Langhout & Wiarda planschade  
Langhout & Wiarda Juristen Rentmeesters
Langhout & Wiarda planschade
Planschade: Afdeling 6.1 Besluit ruimtelijke ordening

Hoofdstuk 6 Financiële bepalingen, Afdeling 6.1 Tegemoetkoming in schade

§ 6.1.1 Algemene bepalingen

Artikel 6.1.1.1
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. aanvraag: aanvraag om een tegemoetkoming in de schade als bedoeld in artikel 6.1 van de wet; b. bestuursorgaan: burgemeester en wethouders, of, indien toepassing is gegeven aan artikel 6.6, eerste lid van de wet, gedeputeerde staten, of, indien toepassing is gegeven aan artikel 6.6, tweede lid van de wet, Onze Minister dan wel Onze aangewezen Minister;
c. adviseur: een persoon of commissie, die geen deel uitmaakt van of werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan, en die belast is met de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking.

§ 6.1.2 De aanvraag

Artikel 6.1.2.1
1. De aanvraag wordt gericht aan het bevoegde bestuursorgaan en ingediend bij burgemeester en wethouders van de gemeente waarin:
a. de onroerende zaak geheel of in hoofdzaak is gelegen, indien de aanvraag betrekking heeft op schade ten gevolge van een vermindering van de waarde van die zaak;
b. de oorzaak van de inkomensderving, bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, van de wet, zich geheel of in hoofdzaak voordoet of heeft voorgedaan, indien de aanvraag betrekking heeft op schade tengevolge van die inkomensderving.
2. Burgemeester en wethouders tekenen de datum van ontvangst onverwijld aan op het geschrift waarbij de aanvraag is ingediend.
3. Zij zenden de aanvrager onverwijld een bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld.
4. Zij zenden de betrokken andere bestuursorganen onverwijld een exemplaar van de aanvraag en van de daarbij gevoegde stukken, onder vermelding van de datum van ontvangst.
5. Zij delen de aanvrager zo spoedig mogelijk mee door welk bestuursorgaan op de aanvraag zal worden beslist.

Artikel 6.1.2.2
1. Onverminderd artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht bevat de aanvraag:
a. een aanduiding van de oorzaak, bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de wet, van de gestelde schade;
b. een opgave van de aard en de omvang van de schade;
c. een specificatie van het bedrag van de schade, dat naar het oordeel aan de aanvrager vergoed dient te worden dan wel waarin hij een tegemoetkoming wenst;
d. een omschrijving van de wijze waarop aan de schade naar het oordeel van de aanvrager tegemoet dient te worden gekomen indien hij geen vergoeding in geld wenst.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gegeven omtrent de aanvraag.

§ 6.1.3 De behandeling en beoordeling van de aanvraag

Artikel 6.1.3.1
1. Het bestuursorgaan neemt een aanvraag niet, onderscheidenlijk niet verder in behandeling indien deze niet binnen de termijn, bedoeld in artikel 6.1, vierde, vijfde of zesde lid, van de wet is ingediend of de gestelde schade met toepassing van de artikelen 6.2 en 6.3 van de wet kennelijk voor rekening van de aanvrager moet blijven.
2. Een besluit om de aanvraag met toepassing van het eerste lid niet, onderscheidenlijk niet verder in behandeling te nemen, wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag, onderscheidenlijk binnen acht weken nadat de termijn is verstreken gedurende welke de aanvrager de aanvraag kon aanvullen.
3. Het bestuursorgaan kan de laatste in het vorige lid genoemde termijn eenmaal met ten hoogste vier weken verlengen.

Artikel 6.1.3.2
Het bestuursorgaan wijst een adviseur aan die een advies uitbrengt over de op de aanvraag te nemen beslissing, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1 of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 6.1.3.3
1. Bij gemeentelijke verordening, provinciale verordening en bij regeling van Onze Minister worden regels gegeven over de aanwijzing van een adviseur en de wijze waarop deze tot een advies komt.
2. De regels, bedoeld in het eerste lid, hebben in ieder geval betrekking op:
a. de deskundigheid en onafhankelijkheid van de adviseur;
b. de gevallen waarin een commissie als adviseur wordt ingeschakeld;
c. het tijdstip waarop de adviseur wordt ingeschakeld;
d. de wijze waarop de aanvrager en eventuele andere betrokken bestuursorganen of andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, vooraf in de aanwijzing van de adviseur worden gekend, dan wel deze na aanwijzing kunnen wraken;
e. de wijze waarop de aanvrager, de betrokken bestuursorganen en in voorkomend geval de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, door de adviseur, onder verslaglegging, worden gehoord en bij de opstelling van het advies worden betrokken, en de dienaangaande geldende termijnen.

Artikel 6.1.3.4
1. De adviseur betrekt in zijn onderzoek in ieder geval:
a. de vraag of de door aanvrager in zijn aanvraag gestelde schade een gevolg is of zal zijn van de in de aanvraag aangeduide schadeoorzaak;
b. de omvang van de schade, bedoeld onder a;
c. de vraag of deze schade redelijkerwijs geheel of gedeeltelijk ten laste van de benadeelde behoort te blijven, zulks met inachtneming van de artikelen 6.1, eerste lid, 6.2 en 6.3 van de wet.
2. De adviseur adviseert het bestuursorgaan over de hoogte van de toe te kennen tegemoetkoming en doet, indien het bestuursorgaan een daartoe strekkend verzoek heeft gedaan, voorstellen voor maatregelen of voorzieningen waardoor de schade, anders dan door een tegemoetkoming in geld, kan worden beperkt of ongedaan gemaakt. Heeft een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de wet voor de benadeelde naast schade tevens voordeel opgeleverd, dan wordt dit voordeel bij het advies over de te vergoeden schade in aanmerking genomen.

Artikel 6.1.3.5
1. De adviseur kan inlichtingen en adviezen inwinnen bij derden. Indien met het verstrekken van inlichtingen of het verlenen van adviezen door derden kosten gemoeid zijn, oefent de adviseur deze bevoegdheid eerst uit na instemming van het bestuursorgaan.
2. De adviseur stelt zich ter plaatse op de hoogte van de situatie, tenzij naar zijn mening uit de inhoud van de aanvraag aanstonds blijkt dat deze behoort te worden afgewezen dan wel dat de aanvrager niet ontvankelijk behoort te worden verklaard.

Artikel 6.1.3.6
1. Het bestuursorgaan beslist binnen acht weken na ontvangst van het advies op het verzoek en maakt dit besluit binnen deze termijn bekend aan de aanvrager.
2. Het bestuursorgaan kan de in het eerste lid bedoelde beslissing, onder opgaaf van redenen, eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.

Artikel 6.1.3.7
1. Het bestuursorgaan kent de aanvrager op diens schriftelijke aanvraag een voorschot toe indien hij naar redelijke verwachting in aanmerking komt voor een tegemoetkoming en zijn belang naar het oordeel van het bestuursorgaan zodanig voorschot vordert. Het bestuursorgaan beslist op de aanvraag, gehoord de adviseur.
2. Een besluit tot het verlenen van een voorschot is geen erkenning van een aanspraak op een tegemoetkoming.
3. Het voorschot kan uitsluitend worden verleend indien de aanvrager van het voorschot schriftelijk de verplichting aanvaardt tot gehele en onvoorwaardelijke terugbetaling van hetgeen ten onrechte als voorschot is uitbetaald, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente over het teveel betaalde, te rekenen vanaf de datum van betaling van het voorschot. Het bestuursorgaan kan daarvoor zekerheidstelling verlangen.

Artikel 6.1.3.8
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gegeven omtrent de behandeling en beoordeling van de aanvraag.

Kennisbank
Klik hier om in te loggen.